Resultaten onderzoek ‘Regionale eenduidigheid bij overdrachten: SBAR(R)’

20 maart 2018

Vanuit de focusgroep SEH/HAP verwierven het Netwerk Acute Zorg Noordwest en SpoedzorgNet AMC in samenwerking met RAV Amsterdam OLVG, AMC en VUmc in 2016 een subsidie bij ZONmw voor het onderzoeksproject ‘Regionale eenduidigheid bij overdrachten: SBAR(R). Eind 2017 liep dit project af en eerder deze maand hebben wij het conceptrapport ingediend bij ZONmw. Het project is daarmee bijna afgerond.

Het project heeft veel nuttige en positieve resultaten opgeleverd. Als het gaat om het gebruik van de SBAR(R)-methodiek (Situation, Background, Assesment, Recommendation en Repeat) lijkt er echter ook nog wel werk aan de winkel.

Aanleiding

Wereldwijd wordt in steeds grotere mate de SBAR(R)-methode gebruikt voor een gestandaardiseerde overdracht tussen zorgverleners. De dagelijkse praktijk leert ons echter dat de SBAR-methodiek nog weinig, en vaak niet op een goede manier wordt gebruikt tijdens overdrachten in acute situaties. Hoe dit echter precies zit en wat het effect is van een (niet) goede overdracht op de kwaliteit en veiligheid van de acute zorg is eigenlijk niet bekend.

Doel

Doel van dit project was daarom de overdrachten in de acute zorg regionaal verder stroomlijnen en het onderzoeken van de toegevoegde waarde van overdracht middels SBAR(R) op kwaliteit van zorg en patiëntveiligheid.

Werkwijze

Om het doel te realiseren kende het project 6 fasen: (1) de voorbereidingsfase, (2) de nulmeting (observatieperiode 1), (3) de interventie (4) de nameting (observatieperiode 2), (5) de analyseperiode en data opschoning, en (6) de terugkoppeling van de bevindingen in de regio. De eerste 5 fasen zijn inmiddels afgerond en de 6e volgt in de loop van 2018.  De interventie betrof een SBAR(R) e-learning module en bijeenkomsten in combinatie met een actieve multimediale communicatiecampagne (posters, notitieblokjes en mailing/nieuwsbrieven). Het effect van de interventie werd getoetst in een (observationeel) voor- en na-onderzoek. Hierin werd gebruik gemaakt van 3 onderzoeksmethodieken: observatiemetingen, dossieronderzoek en vragenlijstonderzoek onder de betrokken zorgverleners. De focus lag op de overdrachten tussen ambulance en SEH. In dit kader werd de interventie aangeboden aan het personeel van 1 ambulancedienst (RAV AA) en 4 SEH’s (EPIC-ziekenhuizen Amsterdam).

Er werden in totaal 990 patiënten-overdrachten geobserveerd (incl. dossiers onderzocht), waarvan er 945 werden geïncludeerd in de analyses (n=459 in de eerste meetperiode en n=486 in de tweede meetperiode ). Dit aantal komt ook overeen met de planning (100 per ziekenhuis per meetperiode). De vragenlijst werd in de eerste meetperiode door 199 personen ingevuld (47,5% van de aangeschreven personen), waarvan 90 door de medewerkers van Ambulance Amsterdam (50,3% respons) en 109 door de medewerkers van de SEH’s (artsen, verpleegkundigen en verpleegkundig specialisten; 45,4% respons). In de tweede meetperiode werd de enquête door 110 medewerkers ingevuld (26,2% respons), waarvan 50 door de medewerkers van Ambulance Amsterdam (27,9% respons) en 60 door de medewerkers van de SEH’s (25,0% respons).

Conclusies

  • Deze studie leert ons dat de SBAR-methode vaak niet volledig en correct (chronologisch) wordt toegepast door zorgverleners van ambulancedienst en SEH’s. In dit kader achten wij het noodzakelijk dat de SBAR-methode nog meer bekendheid en training behoeft onder deze groepen.
  • De onderzochte interventie met e-learning, themabijeenkomsten en een multimediale campagne verbetert de volledigheid van de overdracht volgens de SBAR-methodiek en zou bredere toepassing kunnen krijgen onder spoedzorg professionals. Het effect was echter beperkt (van 7% naar 18% volledig) en er werd geen effect gevonden op een correcte (chronologische) overdracht volgens SBAR. Onze interventie behoeft dus verdere verbetering en uitbreiding. De studie geeft inzicht hoe dit bewerkstelligd zou kunnen worden.
    • Omdat er een leereffect over de tijd werd geconstateerd bevelen wij aan om de interventieperiode te verlengen en te intensiveren.
    • Alle elementen van deze interventie waren bovendien op vrijwillige basis. Er kunnen aanvullende modaliteiten worden ingezet en de bijeenkomsten en e-learningmodules zouden een verplicht karakter moeten krijgen.
    • Verdere aanbevelingen t.a.v. de toepassing van de SBAR-methode komen uit de vragenlijsten.
      • Allereerst werd door de ambulance medewerkers aangegeven dat zij het gevoel hadden dat SEH-medewerkers onvoldoende luisterden. In dit kader denken wij dat het erg belangrijk is om de toekomstige trainingen en bijeenkomsten gezamenlijk te organiseren om ook duidelijke werkafspraken te maken.
      • Hiernaast zou er tijdens de overdracht mogelijk een moment van aandacht en mondelinge feedback gecreëerd kunnen worden, als door de ambulance zorgverleners specifiek benoemd: ‘Ik ga nu overdragen volgens de SBAR(R). Hiernaast zou ook een ‘hands off’ overdracht (dus geen handelingen verrichten tijdens de overdracht) meer aandacht kunnen creëren.
      • De belangrijkste factor die door de meeste zorgverleners van de SEH als belemmerend werd ervaren was dat niet alle relevante informatie gestructureerd wordt overgedragen. Mogelijk zou de ambulanceprofessional tijdens de overdracht hardop de individuele onderdelen van de SBAR expliciet kunnen benoemen (‘In de S…’).
      • Gezien de discrepantie tussen de ervaren kwaliteit van overdracht en de gemeten kwaliteit van overdracht adviseren wij tot slot om ook schriftelijke feedback over de overdracht te incorporeren in de standaard werkzaamheden.

Vervolg

De komende weken en maanden gaan wij nadenken over de vervolgacties. Zodra ZONmw het conceptrapport heeft goed gekeurd zullen wij deze verder verspreiden in de regio. Hiernaast zullen wij presentaties verzorgen in de verschillende ROAZ-groepen in de regio (bijv. focusgroepen, OKAZ en ROAZ).

 

0 reacties
Reacties

Nog geen reacties.

Reageer

Reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *