POB en telefonische triage van 112 meldingen: overtriage of niet?

29 december 2016

Telefonische triage is een vak apart omdat in korte tijd met beperkte informatie een toestandsbeeld moet worden vastgesteld en moet worden besloten of er een ambulance ingezet moet worden en zo ja, met welke urgentie.

Al eerder  heb ik geschreven over de verschillen tussen fysieke triage en telefonische triage en de consequenties die dit heeft voor de mate van overtriage bij telefonische triage als noodzakelijk kwaad om ondertriage te voorkomen. (Lees: Overtriage is de prijs die wordt betaald voor telefonische triage en maatschappelijke wens )

Regelmatig krijg ik signalen van collega’s dat hulpverleners ter plekke bij de patiënt (of het slachtoffer) van mening zijn met een te hoge urgentie of ten onrechte naar een patiënt zijn gestuurd en dat de triage in de meldkamer dus eigenlijk niet goed verloopt. Vaak wordt dan ook nog aangegeven dat dit te maken heeft met de wijze waarop wordt getrieerd en vooral dat het gebruik van strikte protocollen een bijdrage levert aan die (achteraf) vastgestelde overtriage.

De vraag hierbij is of overtriage kan worden verminderd of dat we dit zullen moeten accepteren als onvermijdelijk.

Om die vraag te kunnen beantwoorden is het van belang om op basis van betrouwbare getallen de mate van overtriage vast te stellen en daarna pas na te gaan denken over mogelijke manieren deze te verminderen.

“Betrouwbare getallen” betekent in dit geval dat we zoveel mogelijk variabelen constant moeten hebben zodat we uiteindelijk in staat zullen zijn om een bruikbare uitspraak te doen over de mate van overtriage die vervolgens het uitgangspunt kan zijn voor mogelijke verbeteringen van het triage proces.

Het eerste onderzoek wat mij bekend is geworden waarbij op deze wijze is gekeken naar telefonische overtriage, werd verricht door een groep onderzoekers van de Alberta Health Services onder leiding van D. Woods. Hun bevindingen werden gepresenteerd in een posterpresentatie tijdens de Navigator 2016 Conferentie in Washington D.C. van de International Academies of Emergency Dispatch (IAED)[i].

Hun onderzoek werd verricht in een Canadese meldkamer die door de IAED is erkend als een Accredited Center of Excellence (ACE) en richtte zich op alle patiënten die zich via het noodnummer richtten tot deze meldkamer met pijn op de borst (POB) klachten. Nagegaan werd wat uiteindelijk de diagnose was die werd gesteld op de eerste hulp.

Zij vonden dat van de 20.683 meldingen, 616 werden afgehandeld met kaart 10[ii] Pijn op de borst (niet traumatisch). Hiervan kon van 570 patiënten de diagnose en outcome op de eerste hulp afdeling worden verkregen. Van deze 570 casus kregen 318 (55,8%) een cardiale diagnose en overleden 9 patiënten (2%). Bij de 252 casus die geen cardiale diagnose kregen, bestond de top 3 van diagnoses uit angststoornis, COPD en buikpijn.

Zij concludeerden “Bijna de helft van de patiënten die met het POB protocol werden getrieerd hebben geen primaire cardiale diagnose bij onderzoek op de Eerste Hulp Afdeling. Eén-derde van deze patiënten wordt opgenomen in het ziekenhuis met een overall mortaliteit van minder dan 2%. Deze resultaten vormen en belangrijk startpunt voor de verbetering van de detectie van patiënten met hartklachten op het moment dat men 112 belt” (vertaling JdN)

Wat leren we van dit onderzoek?

Als eerste toont dit onderzoek aan dat overtriage inderdaad bestaat en dat bij POB klachten (die in deze populatie 3% van het totale 112 volume bedragen) er na verder onderzoek in het ziekenhuis in 44,2% sprake is van andere dan cardiale problemen.

Oppervlakkig beschouwd zou men dus kunnen zeggen dat er sprake is van 44,2% overtriage in deze meldkamer maar dat zou niet juist zijn. Alhoewel dus bijna de helft van de hulpvragers met POB klachten niet lijdt aan een cardiale stoornis maar voor een groot deel aan angststoornissen, COPD of buikpijn, is het maar zeer de vraag of dit met telefonische triage in de korte tijd die daarvoor beschikbaar is, zou kunnen worden onderscheiden. Vergeet niet dat 55,8% van de POB patiënten wél een cardiale stoornis had en dat ook hierbij de telefonische triage niet in staat is om de ernst van die stoornis vast te stellen.

Zoals de onderzoekers al stellen is nader onderzoek nodig om de detectie van patiënten met hartklachten die 112 bellen te verbeteren. Hierbij is het noodzakelijk om de gegevens van zowel meldkamers als ziekenhuizen zo betrouwbaar mogelijk te verzamelen. Om dit te bereiken is standaardisatie en protocollering van het meldkamerproces noodzakelijk en dient rekening te worden gehouden met de beperkingen van de telefonische triage van lekenmeldingen van POB klachten.

Tot slot en in het licht van de discussie rond gestandaardiseerde triage ben ik van mening dat bij de telefonische triage van 112 meldingen overtriage een gegeven is wat we zullen moeten accepteren. De mate van overtriage wordt beïnvloed door veel factoren waarop we geen invloed hebben; waar we wel invloed op hebben is het verzamelen van internationaal vergelijkbare cijfers en op de betrouwbaarheid daarvan zodat we gefundeerd en controleerbaar verbeteringen kunnen aanbrengen. Voor veel meldkamers wereldwijd betekent dit werken met het AMPDS en het meedoen aan onderzoek zodra men de ACE status heeft bereikt.

Jan de Nooij

(zie ook de site https://www.aedrjournal.org/  voor meer wetenschappelijk onderzoek in de meldkamer voor ambulance, brandweer en politie)

 

[i] https://www.aedrjournal.org/wp-content/uploads/2016/09/9_Abstracts.pdf

[ii] Advanced Medical Priority Dispatch System (AMPDS) Kaart 10: Pijn op de borst (niet traumatisch)

Bron: 112meldkamer.nl

Deel bericht: