Een dag op de meldkamer van Ambulance Amsterdam

25 februari 2017

De meldkamer van Ambulance Amsterdam staat, net als de rest van de spoedzorg, onder spanning. ‘We komen, maar zonder gillende sirenes. Het is druk, meneer.’

Alsof het onheil in één klap over de stad wordt uitgestort, stromen de spoedtelefoontjes de meldkamer van Ambulance Amsterdam binnen. Het is 16.30 uur, een mooie doordeweekse, bijna lenteachtige dag, die zonder brokken voort leek te kabbelen.

Tot nu. Op de Haarlemmerstraat is een oudere vrouw van haar fiets gevallen. Ze ligt met een hoofdwond op het trottoir. Op een afslag van de Ring dreigt een schreeuwende man de snelweg op te rennen. Ter hoogte van de Amsteldijk op de A10 is een kop-staartbotsing met meerdere gewonden. Een bewoner van een opvang voor dak- en thuislozen is gevallen en heeft mogelijk zijn rug gebroken.

Het ene na het andere noodgeval komt hier binnen op de headset van coördinator-centralist Alex. Alsof hersenbloedvaten en kransslag­aders, oplettendheid en verstand in een griezelig verbond hebben afgesproken het tegelijkertijd te begeven.

“Meldkamer Ambulancezorg. Wat is het adres van het noodgeval?”

Aan de andere kant vertelt een vrouw met paniekerige stem dat haar vader van de trap is gevallen, zo met zijn hoofd op de grond. “Kijkt u eens goed naar hem, mevrouw,” zegt Alex resoluut. “Hoe haalt hij adem? Piepend? Snurkend?

Alex helt voorover en kijkt geconcentreerd op een van zijn vijf schermen. Op een monitor ziet hij waar de ambulances staan en of ze beschikbaar zijn. Van de 48 operationele ambulances in Amsterdam en de regio waren er zojuist nog vijftien inzetbaar, maar dat worden er met de minuut minder. Wat begon als een rustige dienst, is uitgemond in een gemiddelde dag en zal straks door een van de medewerkers worden omschreven als ‘een gekkenhuis’.

“Ik moet naar het toilet,” zegt een centralist, die ook wel weet dat hij het moet ophouden.

Manoeuvreren, schipperen, omrijden

Als het op de meldkamer druk is, wordt het vanzelf druk op de spoedeisende hulpen, waar de patiënten door de ambulances naartoe worden gebracht.

Dat wreekt zich direct, ziet Alex op het overzicht van opnamestops. Volle shockrooms in AMC en VUmc, en later op de avond sluiten ook de spoedeisende hulpen van OLVG West, MC Slotervaart en de eersteharthulp van het Waterland Ziekenhuis de deuren voor nieuwe patiënten.

Ook op slot is de afdeling van OLVG West die acute hulp verleent bij een beroerte. Het Waterland Ziekenhuis heeft al een week een opnamestop vanwege een uitbraak van het norovirus (inmiddels opgeheven).

In OLVG Oost wacht een patiënt al twee uur op een ambulance die hem naar Haarlem kan brengen. En er ligt een hartpatiënt na een operatie al anderhalf uur te wachten op een lift naar het MC Zuiderzeeziekenhuis.

Op drukke dagen worden ambulances soms wel tot vijf keer weggeroepen van dit soort ritten, omdat er een spoedgeval tussendoor komt. Dat, in combinatie met 4000 opnamestops per jaar, maakt de toch al complexe puzzel die 24/7 in de meldkamer van de ambulancedienst wordt gemaakt nóg ingewikkelder.

Het is manoeuvreren, schipperen en vooral omrijden met al die opnamestops, zegt centralist Rini. “Het is vervelend als er een stop is bij het MC Slotervaart én OLVG West, terwijl je daar om de hoek staat. Dat komt echt regelmatig voor.”

“Een paar weken geleden hebben we twee zwangere vrouwen naar Groningen overgebracht omdat ze hun kindje prematuur zouden krijgen en hier op dat moment geen couveuseplekken waren.”

De vrouwen moeten ver van huis bevallen onder toch al penibele omstandigheden. Maar ook voor de ambulancemedewerkers is het stressvol, zegt Rini. “Als je iemand met beginnende weeën bij 32 weken naar Groningen moet brengen, dan geeft dat stress. Stel dat het kind onderweg wordt geboren, wat doe je dan?”

Om Alex heen wordt driftig gebeld, het aantal beschikbare ambulances is uitgedund tot drie. “Voor heel de regio, hè! Dat is het minimum.”

“Meldkamer Ambulancezorg. Wat is het adres van het ongeval?” Alex krijgt een vrouw aan de lijn die totaal overstuur is. Ze schreeuwt het uit. “Ik heb een brommer aangereden.” Alex probeert de locatie te achterhalen. “Mevrouw, probeert u niet te schreeuwen.”

Alex gaat staan, en als Alex gaat staan, weet de rest meteen dat ze moeten opletten.

“Jongens, ongeval met mogelijk re-a-ni-matie.” Er wordt direct hoog ingezet. Brandweer, politie, traumaheli en twee ambulances worden erop afgestuurd, de shockroom van het VUmc wordt gereserveerd en gewaarschuwd. Op de plek zijn omstanders al begonnen het jonge slachtoffer te reanimeren. De mevrouw aan de telefoon is in alle staten. “Ik begrijp dat erg geschrokken bent, hulp is onderweg.”

Als Alex ophangt, zucht hij diep. Hij heeft genoeg ervaring en gutfeeling om te weten dat dit foute boel is. “Nou, dat is spannend.” Tijd om hiervan bij te komen heeft hij niet. De meldingen blijven komen. “‘Onwel? Lukt het om mevrouw uit de zaal te krijgen? Anders moet het licht aan en verstoren we de voorstelling.”

Wissewasjes

Ook gehoord op de meldkamer: “Ga bij die gillende mensen weg. Ik kan u niet verstaan.” En: “Bent u aan het bloedbraken?” En bij een onwelwording: “We komen, maar niet met gillende sirenes. Het is druk, meneer.”

Collega Hans, door de telefoon: “Het spijt me om te zeggen, maar voor een gekneusde voet komt geen ambulance.” De centralisten zijn nog altijd stomverbaasd over wat voor wissewasjes mensen soms bellen. Tijdens de grote stroomstoring in Amsterdam, waarbij 112 voor sommigen tijdelijk onbereikbaar bleek – iets waar Ambulance Amsterdam zolang het onderzoek loopt niks over mag en wil zeggen – belden mensen dat de iPad niet oplaadde en tram 17 niet reed.

Een dikke enkel, een sneetje in de vinger, het komt allemaal voorbij op de meldkamer. “In Amerika weet elke driejarige dankzij televisiecampagnes precies wanneer hij 911 mag bellen. Hier hebben veel mensen geen idee,” zegt Hans.

Alex neemt een hap van een broodje kaas – van gisteren. Het avondeten moet nog maar even wachten. Dat geldt overigens ook voor de ambulancemedewerkers, waar om negen uur ’s avonds de helft nog met een knorrende maag rondrijdt.  Zo is de status van de rapid responser, een auto waar een ambulancemedewerker alleen op zit, ‘eten’, maar dat wordt weer doorgestreept, hij moet naar een verdenking van een koolmonoxidevergiftiging in Noord.

Alex krijgt weer een lijn. Als hij ophangt, gaat hij staan, en zegt luid maar met compassie: “De patiënt is overleden.” Iedereen weet over wie het gaat: de jonge brommerrijder.

Even later komt er een melding uit het politiebureau. De vrouw die hem heeft aangereden, kreeg tijdens het verhoor hartklachten. “Er is een ambulance onderweg.”

Bron: Het Parool

Deel bericht: